- SOLARWATT Battery vision en Inverter vision
- Planning
- Inverter vision max, driefasig net
Inverter vision max, driefasig net
Algemene richtlijnen voor de planning
Deze aanwijzingen gelden in het algemeen voor alle onderstaande toepassingsvoorbeelden van de Inverter vision max
Richtlijnen voor de dimensionering van in- en uitgangen van de Inverter vision max
Op de Inverter vision max is de aansluitstekker voor de netaansluiting geschikt voor een geleiderdoorsnede tot 16 mm², terwijl de aansluitstekker voor de back-up-aansluiting een geleiderdoorsnede tot max. 10 mm² kan verwerken.
Bij gebruik van bijvoorbeeld 5x16 mm² en 5x10 mm² of 5x6 mm², en rekening houdend met de toegestane spanningsval voor PV-generatoren [1 %] en verbruikers [3 %, hier proportioneel berekend met 2 %] kunnen de volgende kabellengtes worden gerealiseerd:
Overzicht voor opwekkers – netaansluitingsstekker voor 1 % spanningsval
| Vermogensklasse Omvormer [kW] | Lengte [m] voor geleiderdoorsnede 10 mm² | Lengte [m] voor geleiderdoorsnede 16 mm² |
30 | niet geschikt | 18 |
25 | niet geschikt | 18 |
20 | 14 | 21 |
15 | 19 | 28 |
Overzicht voor consumenten - back-up-aansluiting, proportioneel 2 % spanningsval
| Vermogensklasse Omvormer [kW] | Lengte [m] voor geleiderdoorsnede 6 mm² | Lengte [m] voor kabeldoorsnede 10 mm² |
30 | niet geschikt | 28 |
25 | 20 | 34 |
20 | 25 | 42 |
15 | 33 | 57 |
Overzicht van de maximale stromen per fase voor de juiste keuze van kabels en zekeringen
| Vermogensklasse Omvormer [kW] | Max. stroom per fase [A] Aansluitvermogen | Max. stroom per fase [A] Aansluiting voor back-upverbruikers |
30 | 53 | 45,5 |
25 | 53 | 37,9 |
20 | 45,5 | 30,3 |
15 | 34,1 | 22,7 |
Afhankelijk van de vermogensklasse, de kabeldoorsnede en de legwijze worden aardlekschakelaars in de maten C 40 A, C 50 A en C 63 A gebruikt.
Bij de keuze van de juiste kabel en de bijbehorende aardlekschakelaar moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden.
Aardlekschakelaar (FI/RCD)
Het installeren van een aardlekschakelaar vóór de omvormer is optioneel en hangt voornamelijk af van de landspecifieke voorschriften of lokale eisen (bijv. individuele brandveiligheidsvoorschriften) voor het gebruik van aardlekschakelaars.
Als er een aardlekschakelaar wordt geïnstalleerd, moet deze een nominale aardlekspanning van minimaal 300 mA hebben.